
Halverwege het consult merkte ik dat ik mezelf zat te verdedigen. Niet luid, niet boos maar gewoon, weer een keer. De vrouw tegenover me had een uitdraai bij zich van een buitenlandse studie, een lijstje vragen en een toon waarmee niets mis was. Ze stelde redelijke vragen. Ze gaf logische antwoorden. En ze kwam steeds terug op hetzelfde punt: wat zij wilde, en waarom dat eigenlijk gewoon moest gebeuren.

Ik kan je nog precies vertellen wat ik op dat moment dacht. Niet "ze gaat over de grens." Niet "dit is grensoverschrijdend." Maar: misschien moet ik het anders uitleggen. Misschien is dit een communicatiekwestie. Even doorvragen. Even meedenken. Als ik nu te stellig word, verpest ik het gesprek.
Mijn schouders waren omhoog gekropen. Ik praatte sneller dan normaal, alsof ik tegen een onzichtbare klok aan het werken was. De automatische glimlach was er weer, die glimlach die je gebruikt om iets glad te strijken waarvan je nog niet wilt benoemen dat het wrijving is.
Toen ze de spreekkamer uit liep, voelde ik dat soort vermoeidheid die niet hoort bij twintig minuten werk. De afspraak van twintig minuten had veertig minuten geduurd. Ik had drie keer hetzelfde uitgelegd. En ergens halverwege was ik gestopt met meedenken en begonnen met overtuigen.
Ze had niet één keer haar stem verheven. Niemand had iets gedaan wat je een incident zou noemen. Toch was er iets verschoven. Pas later die avond, op de bank, kon ik benoemen wat: ze had niet om mijn afweging gevraagd. Ze had hem omzeild. En ik had het laten gebeuren.

Wat ik te lang niet zag
Ik heb jaren gedacht dat grensoverschrijdend gedrag iets is wat begint bij verheven stemmen. Bij een patiënt die uit zijn vel springt, een bezoeker die de balie te lijf gaat, een incident dat opgeschreven moet worden. Daar gingen de trainingen over. Daar zat de aandacht. En eerlijk: zo had ik er zelf ook lang naar gekeken. Als iemand niet schreeuwt, dan is het toch niet erg?
Wat ik me toen onvoldoende realiseerde, is dat agressie het eindpunt is van een proces dat veel eerder begint. Het zit niet in dat ene moment waarop iemand over de grens gaat. Het zit in alles wat daaraan voorafgaat, in claimen, in blijven aandringen, in weinig ruimte laten voor een andere afweging, in dat subtiele wantrouwen waarbij jouw expertise steeds opnieuw ter discussie staat. Dat is geen opmaat naar grensoverschrijding. Dat ís het al.
Het lastige is dat dit gedrag aan de buitenkant nog redelijk lijkt. De toon is rustig. De vraag klinkt verdedigbaar. De volharding voelt als betrokkenheid. En toch zet het iets in beweging. Niet één duidelijk ding maar een hele reeks kleine dingen tegelijk. Jouw aandacht versmalt. Je begint je af te vragen of je niet te streng bent. Je merkt dat je antwoorden langer worden, omdat je ze beter onderbouwt dan eerder op de dag. En ergens halverwege ben je niet meer bezig met de cliënt voor je. Je bent bezig met jezelf overeind houden.
Dat is iets wat we in onze opleiding niet hebben geleerd te benoemen. Want dit gedrag valt niet onder "agressie". Niet onder "grensoverschrijding" zoals dat in protocollen staat. En dus benoemen we het meestal niet, niet bij collega's, niet bij onszelf.
Waarom het juist op jóú werkt
Wat dit zo glibberig maakt, is dat het werkt op precies dat wat jou een goede professional maakt. Je bent als arts, als pedicure, als kapper, als huidtherapeut getraind om af te stemmen. Op de cliënt, op het verhaal, op wat onuitgesproken meekomt. Je hebt geleerd om te luisteren voor je oordeelt, om mee te denken voor je adviseert, om de relatie zorgvuldig te houden. Dat is geen zwakte. Dat is het vak.

Maar dat afstemmingsvermogen is precies de plek waar dit soort gedrag binnenkomt. Want als iemand stuurt zonder dat het er sturen uitziet, is jouw eerste neiging om mee te bewegen. Niet uit angst maar uit professionaliteit. Je bent niet bang voor de cliënt. Je probeert het gesprek te redden. Je probeert het ánders te zeggen, ánders te framen, ánders aan te vliegen. En dat lukt soms ook even totdat je merkt dat je nog steeds aan het uitleggen bent terwijl je eigenlijk allang had moeten begrenzen.
Daar komt iets bij wat we zelden hardop zeggen: we zijn allemaal opgeleid in een cultuur waarin de cliënt centraal staat. Klantvriendelijkheid. De cliënt is koning. "Vertrouwensrelatie" als hoeksteen van zorg. Dat zijn waarden die ergens kloppen maar ze komen met een schaduw. Wanneer is meebewegen nog professioneel, en wanneer is het schikken? Wanneer is doorvragen warm, en wanneer is het mat geslagen worden? Op die vraag hebben we, als beroepsgroepen, geen helder antwoord.
En tot slot iets fundamentelers. Mensen zijn relationele wezens. We merken, vaak zonder het bewust te weten, als iemand spanning meebrengt de kamer in. We weten dat zwijgen die spanning niet wegneemt. We weten dat tegenspraak hem vergroot. Onze biologie zegt: zoek harmonie. Onze opleiding zegt: blijf empathisch. En het patroon waarvan we het hier hebben, profiteert van precies die twee instincten. Het is niet toevallig dat dit gedrag zo lastig is om te begrenzen. Het zit ingebakken op een diep niveau dat sneller gaat dan je denken.
Zolang je dat niet weet, neem je het persoonlijk. Je denkt: ik had professioneler moeten reageren. Ik was te toegeeflijk. Ik had het beter moeten managen. Maar het is geen gebrek aan professionaliteit. Het is een patroon dat structuur heeft, een patroon dat door evolutie en opvoeding op je wordt afgevuurd, en waar bewustzijn de eerste echte verdediging tegen is.
Wat het in je losmaakt
Tijdens het gesprek voelt het vaak als een mist. Je weet dat er iets niet klopt, maar je kunt niet aanwijzen wat. Je hoort jezelf praten en denkt achter de feiten aan: was dat goed wat ik zei? Was dat te zacht? Te streng? Je merkt dat je sneller praat dan normaal, of juist langzamer, alsof je elk woord nog een tweede keer wilt afwegen voordat het eruit komt. Je glimlach is er nog, maar hij is verstijfd. Je luistert niet meer alleen, je rekent.
In je hoofd buitelen de stemmen over elkaar. Ben ik te stellig? Misschien heeft ze gewoon een punt. Als ik nu doorzet, escaleer ik het. Maar als ik nu meega, vind ik het straks niet meer terug. Ze zal nu wel denken dat ik niet meedenk. En dan, zachter: ik wil niet iemand zijn die mensen wegzet.
Dat zijn geen vluchtige gedachten. Dat is een interne onderhandeling, op snelheid, terwijl je tegelijk professioneel moet blijven praten. Het is uitputtend werk. Niet omdat het ingewikkelde inhoud is maar omdat je twee gesprekken tegelijk voert: het gesprek met de ander, en het gesprek met jezelf over of je dit nog wel goed doet.
Je lichaam doet ondertussen ook iets. Schouders die optrekken zonder dat je het merkt. Een maag die samenknijpt. Een ademhaling die hoger komt te zitten. Dat is geen overgevoeligheid. Dat is een ouder, sneller systeem dat eerder dan jij doorhad dat er iets verschoof in het contact. Het probeert je iets te vertellen wat je hoofd op dat moment nog probeert weg te redeneren.
Wat er daarna mee gebeurt
Wat er na afloop gebeurt, is bijna nog vermoeiender. Het gesprek komt terug tijdens het tandenpoetsen. Onder de douche. In de auto naar huis. Je bedenkt achteraf de woorden die je had moeten zeggen, woorden die er op het moment niet waren. Je weet ze nu wel. Dat helpt niet, het frustreert. Want het bewijst dat je er kennelijk niet bij was, dat je iets hebt laten gebeuren, dat je het anders had moeten doen. En zo glijdt de situatie van iets wat de cliënt deed, naar iets wat jij niet goed hebt gedaan.
Daar zit de fundamentele ongelijkheid van dit patroon: jij blijft er na afloop in zitten, terwijl de ander al lang weer thuis is, met een nieuwe afspraak ingepland.
Voeg dat nu eens samen. Eén gesprek na het ander. Week na week. Wat er gebeurt, is dat je vertrouwen in je eigen oordeel langzaam scheef komt te zitten. Je begint je af te vragen of jouw inschatting nog wel klopt. Of je niet te gevoelig bent geworden. Of je inderdaad niet "wat geduldiger" of "wat soepeler" of "wat meer empathisch" zou moeten zijn. De interne stemmen worden harder. De buitenwereld lijkt dat, vooral via reviews, sociale media en evaluaties, soms te bevestigen.
En dan komt het ergste: je begint je werk anders binnen te lopen. Je kijkt naar de planning van de dag en denkt: hopelijk valt deze mee. Je merkt dat je defensiever bent in het eerste contact, omdat je preventief je positie inneemt. Je hebt minder geduld voor de gewone vragen, omdat je interne reservoir al voor de helft op is voordat het zware deel begint. Het werk dat je vroeger met plezier deed, voelt steeds meer als iets wat je moet overleven. Dit is de werkelijke prijs van die zogenaamd kleine gesprekken. Niet één gesprek. De optelsom.
Niet alleen in de spreekkamer
Ik zag dit lang vooral in de medische context. Bij collega's die vertelden dat patiënten steeds vaker binnenkomen met eigen research en die kennis ook zó inbrengen dat het gesprek meteen een andere kant op duwt. Wat ik niet goed heb gezien, is dat dit allang niet meer alleen binnen de medische zorg speelt.
Via mijn communities zie ik hetzelfde mechanisme terug bij een veel bredere groep professionals, mensen die niet altijd als zorgverlener worden gezien, maar wel dagelijks met cliënten werken en in datzelfde spanningsveld terechtkomen. Pedicures, kappers, schoonheidsspecialisten, huidtherapeuten, podotherapeuten. Beroepen waarin de relatie persoonlijker is dan in een spreekkamer. Waarin een cliënt soms al jaren komt. Waarin je al een hand op een schouder hebt voordat het gesprek begint.
Dat persoonlijke maakt iets vertrouwds en het maakt het ook lastiger om iets te zeggen als het schuift. Als de mevrouw van wie je al vijf jaar de voeten doet ineens eist dat je iets weghaalt wat jij medisch niet verantwoord vindt, ga je niet zomaar in confrontatie. Als de klant met wie je altijd een fijne klik had begint te dreigen met een review, weet je heel goed wat een slechte beoordeling betekent voor een ZZP-praktijk. Je werkt vaak alleen, je hebt geen leidinggevende waar je achter kunt schuilen, en het is jouw bedrijf.
Het patroon is hetzelfde. De impact is misschien zelfs groter, omdat de relationele en zakelijke kosten van begrenzen meer in elkaar lopen.
Het is geen kwestie van karakter
Wat ik in al die gesprekken met collega's en cursisten vooral terug hoor, is schaamte. Stille schaamte. Ik had het beter moeten regelen. Ik moet hier toch niet zo van uit het lood? Andere mensen hebben dit niet, dus het ligt aan mij.

Daarom wil ik het hier expliciet zeggen: dit is geen kwestie van professionele zwakte. Niet van "te aardig zijn." Niet van een gebrek aan grenzen. Het is een patroon dat structuur heeft, dat herkenbaar is, dat je kunt leren zien en daarmee ook kunt leren onderbreken.
Het feit dat je het lastig vindt, betekent juist dat je nog goed afstemt. Het feit dat je twijfelt, betekent dat je je oordeel serieus neemt. Het feit dat je doorgaat tot je het niet meer weet, betekent dat je hebt geleerd dat je in ingewikkelde situaties moet blijven proberen zoals het hoort in een zorgrelatie. Het is alleen niet altijd het juiste antwoord meer.
Wat we nodig hebben, is geen ander karakter. We hebben taal nodig. Voor wat we voelen voordat het escaleert. Voor wat we zien voordat het over de grens gaat. Voor wat we mogen zeggen voordat het onduidelijk wordt. En we hebben een gedeelde erkenning nodig: dit gebeurt, het overkomt veel collega's, en het is niet jouw fout dat het lastig is om te benoemen.
Daar gaan deze blogs over.
Wat er nog komt
In de blogs hierna haal ik dit patroon stap voor stap uit elkaar. In blog 2: hoe een redelijke vraag onopgemerkt verandert in een eis en waarom je dat vaak pas doorhebt als je er al middenin zit. Daarna kijken we naar claimend gedrag (waarom rust niet hetzelfde is als veilig), naar wantrouwen ("ik heb zelf onderzoek gedaan" — en wat eronder zit), naar druk en manipulatie via klachten en reviews, naar begrenzen zonder hard te zijn, en naar online — waarom dat geen ander probleem is, maar hetzelfde patroon op een ander tempo.
De gesprekskaarten van De Veilige Stoel zijn er gekomen omdat veel professionals me vertelden dat ze precies dat misten: een paar zinnen om te grijpen op het moment dat het schuift. Niet als script. Niet als oplossing. Wel als hulpmiddel om eerder te zien wat er gebeurt en woorden te hebben voor dat moment waarop je merkt dat je grenzen worden overschreden. Zodat je kunt begrenzen en je rol als professional weer kunt terugpakken.

De gesprekskaarten – Set 3: Grensoverschrijdend gedrag 📄 Download de kaart als printbare A4 (PDF)
Dat dit blijkbaar is wat we als zorgverleners en contactberoepen nodig hebben om veilig en met plezier te kunnen werken, dat zegt op zichzelf ook wel iets.
Het gaat me niet om gelijk krijgen, of om mensen wegzetten. Het gaat erom dat je eerder ziet wat er gebeurt in het gesprek, in de relatie, in jezelf zodat je je rol als professional terug kunt pakken voordat je hem moet verdedigen.
In de volgende blog: hoe een redelijke vraag onopgemerkt verandert in een eis. En waarom je dat vaak pas doorhebt als je er al middenin zit.











